zondag 18 juli 2010

Retraite

Biekorf 2010-2 - De retraite (of geestelijke afzondering) zou ontstaan zijn circa 1739 en werd voor het eerst in de praktijk gebracht door de jezuïeten. De redemptoristen hadden speciale retraitehuizen die druk bezocht werden. Retraites werden massaal gevolgd en hun invloed voor de religieuze geschiedenis van ons volk is niet te onderschatten. Nu zijn retraites zeldzaam.
Wanneer deden de retraites hun intrede in onze gewesten en bestaat daar literatuur over? - L.V.A.

> Antwoord door Kurt Priem in Biekorf 2010-3, p. 329-330.

1 opmerking:

Biekorf zei

De invoering van de retraite in onze gewesten



In het vorig nummer van Biekorf (p.256) vraagt L.V.A. wanneer in onze streken de gewoonte ontstond een retraite te volgen. Retraites of geestelijke oefeningen waren al gekend in de laat-middeleeuwse spiritualiteit. Gerard Zerbolt van Zuthpen (1367-1398), een exponent van de Moderne Devotie, noemt de geestelijke oefening (spirituale exercitium) bestaande uit lezing, meditatie en gebed, voedsel voor de ziel . Vooral dankzij Ignatius van Loyola (1491-1556) raakten geestelijke oefeningen (bijv. de dertigdaagse retraite) ingeburgerd als hulpmiddel om een levensstaat te kiezen of te bevestigen. Bisschop Carolus Borromeus (1538-1584) stichtte in 1579 een retraitehuis in Milaan. In het Franse taalgebied werden retraites gepropageerd door Vincentius a Paulo (1581-1660) en bisschop Franciscus van Sales (1567-1622) .

In onze streken speelde de Ieperse kanunnik Joannes Bartholomeus van Roo (1716–1797) een belangrijke rol in het verspreiden van retraites bij de clerus en de religieuzen. Zelf hield hij jaarlijks minstens één week retraite in het seminarie of een andere huis, en hij volgde ooit een retraite op het graf van Vincentius a Paulo in Parijs. Van Roo beval het houden van retraites aan bij de religieuzen en andere gelovigen waarvan hij biechtvader was en schreef zijn eigen ervaringen en concrete richtlijnen neer in een boekje Geestelijk Vertrek of Godvruchtige oeffeningen voor eenen dag van ieder maand, met eene bezondere deugd daer aen betrekkelijk, voor vier naer-een-volgende jaeren (1792) . Vanaf 1761 volgden de zusters van O.-L.-Vrouw-ter-Nieuwe-Plant (Roesbrugge-Dames) te Ieper jaarlijks een individuele retraite en kanunnik Van Roo leidde als directeur vanaf 1785 twee keer per jaar bij hen een retraite, telkens voor de helft van de gemeenschap.

Van Roo had ook veel invloed in andere bisdommen, zowel bij de stichting van religieuze congregaties en caritatieve instellingen als in de geestelijke begeleiding ervan. Pastoor Petrus Franciscus Valcke van Rumbeke (1708-1787) ging in zijn voetspoor af en toe samen met pastoor Jacobus Morette uit Oostende en pastoor Antonius De Bie uit Roeselare op retraite bij de lazaristen in Parijs. Als deken van Roeselare propageerde Valcke eveneens het houden van priesterretraites. Verder speelde Van Roo een cruciale rol in de roeping van de Kortrijkse kanunnik Josephus van Dale (1716-1781), die een retraite deed in het huis van de Ieperling. Tot dit netwerk van priesters, die elkaar onderling beïnvloedden en op hun stichtingen dezelfde geestelijke stempel drukten, behoorde ook nog de uit Reninge afkomstige Petrus Jacobus De Clerck (1742-1831), pastoor van Veltem (Brabant) .

Het houden van een retraite – naar keuze in een klooster of samen met de seminaristen in voorbereiding op de wijding in het seminarie - werd ook sterk aanbevolen door de Brugse bisschop Joannes-Baptista de Castillion (1743-1753) in zijn pastorale instructie van 16 april 1753 . In zijn testament van 25 juni 1753 bestemde hij één zevende van zijn nalatenschap aan het seminarie, “om met het provenu van diere in het seminarie gratis te aenveirden de onderpastors onser bischdoms, die aldaer sullen willen commen acht of mindere daeghen hunne geestelicke exercitie houden” . Zijn opvolger Joannes Robertus Caimo (1754-1775) liet tussen 1758 en 1760 trouwens een nieuwe vleugel bijbouwen aan de tuinzijde van het Brugse seminarie (het huidige bisschopshuis) voor de priesters die er op retraite kwamen .

Met de uitbreiding van het kloosterleven in de 19de eeuw nam het aantal retraitehuizen sterk toe. Sommige religieuze orden specialiseerden zich zelfs in het organiseren van retraites. Zo opende een Franse congregatie, de Zusters van de Retraite van het Heilig Hart, in 1888 een retraitehuis in het Prinsenhof in Brugge . De jongste decennia beleven we dan weer een omgekeerde beweging, waarbij sommige retraitehuizen zijn opgeheven. Anderzijds is het volgen en zelfs begeleiden van een retraite vandaag niet langer voorbehouden aan de clerus.

KURT PRIEM